
De meeste mensen fotograferen met wat toevallig binnen handbereik ligt, meestal een telefoon in de broekzak. Dat levert massa's foto's op, maar slechts een klein deel daarvan blijft je bij. Het verschil tussen een foto die je meteen weer vergeet en een foto die je zou willen afdrukken, zit zelden in het toestel zelf. Het zit in een paar keuzes die je vooraf maakt, en een paar stappen die je achteraf zet.
Elke foto begint met licht. Een camera meet hoeveel licht er binnenkomt en probeert dat te vertalen naar een goed belichte opname, maar die inschatting klopt niet altijd. Bij tegenlicht of een felle achtergrond schiet de automatische stand er regelmatig naast. Wie zelf aan de knoppen zit, werkt met drie instellingen die samen de belichting bepalen: het diafragma, de sluitertijd en de ISO waarde. Een ruimer diafragma laat meer licht binnen, een langere sluitertijd ook, en een hogere ISO maakt de sensor gevoeliger voor licht, met als nadeel meer ruis in het beeld.
Compositie is de tweede pijler. Een foto waarbij het onderwerp precies in het midden staat, oogt al snel statisch. Door het onderwerp op een derde van het beeld te plaatsen, ontstaat vanzelf meer spanning. Voor wie deze basis grondig wil doorgronden, biedt een fotografie cursus houvast, omdat belichting en compositie daar in samenhang worden geoefend in plaats van los van elkaar.
Wie in JPEG fotografeert, laat de camera meteen keuzes maken over kleur, contrast en scherpte. Die keuzes liggen dan grotendeels vast. Een RAW bestand bewaart juist de ruwe sensorgegevens, waardoor je achteraf nog kunt bijsturen op witbalans, belichting en kleur zonder noemenswaardig kwaliteitsverlies. De prijs die je daarvoor betaalt is dat een RAW bestand onbewerkt vaak plat en grijzig oogt, want de camera heeft er nog niets mee gedaan.
De nabewerking zelf hoeft niet ingewikkeld te zijn. Een rechte horizon, een iets warmere witbalans en wat meer contrast doen vaak al het meeste werk. Voor kleur is het slim om eerst de levendigheid bij te stellen in plaats van de verzadiging, omdat verzadiging alle kleuren in het beeld gelijk versterkt terwijl levendigheid vooral de mattere kleuren oppept. Adobe Photoshop is voor veel fotografen het gereedschap van keuze hierbij, met lagen waarmee je bewerkingen apart houdt en later nog kunt aanpassen. Voor wie net begint, is een Photoshop cursus een praktische manier om niet vast te lopen in de wirwar van paneeltjes en meteen te ontdekken welke knoppen je het vaakst nodig hebt.
Niemand maakt in een keer een perfecte foto, en dat hoeft ook niet. Het helpt om per fotosessie op een ding te letten, bijvoorbeeld alleen compositie of alleen belichting, en dat daarna in de nabewerking terug te zien. Zo wordt duidelijk welke keuze op de camera het werk in de bewerking makkelijker maakt, en welke juist extra correctie vraagt.
Fotografie en nabewerking zijn geen twee losse vaardigheden, ze werken op elkaar in. Een foto die je goed belicht en gecomponeerd hebt, vraagt achteraf nauwelijks nog ingrepen. Een foto waarbij dat niet lukte, is met de juiste technieken vaak nog te redden, maar helemaal goedmaken lukt zelden. Dat besef verandert iets: je kijkt scherper door de zoeker, omdat je weet dat de nabewerking geen wondermiddel is.
Terug naar overzicht